Green green grass of home

Gepubliceerd op 27 december 2018 om 15:43

Ik wordt nú geloof ik al een sentimentele ouwe muts, als je aan dit soort dingen gaat denken.  Van hoe het vroeger was...  Alhoewel ik me totaal niet oud vóel!  Tenminste níet in mijn hoofd.  Haha...  Ik moet wél bekennen dat ik niet meer zo lang  op mijn hurken kan zitten, want dát gaat toch wel zeer doen.  En boven mijn hoofd werken gaat mijn nek zeer van doen.  Maar verder mag ik niet klagen hihi...

Én het komt misschien omdat ik zelf nooit kinderen heb gehad, dat ik mezelf nog wel eens voor me zie, thuis aan de Oostkade aan de Wiericke in Hekendorp.  Een heerlijke plek om op te groeien.  Met water voor de deur en overal groen om je heen.  Spelen in de 'Touwbaan',  zoals dat genoemd werd langs het Jaagpad, dat zijn naam te danken had aan de paarden die vroeger de schepen trokken door de Wiericke (een zijtak van de IJssel).

Mijn ouders waren op deze plek  neergestreken na de 2e Wereldoorlog, aangezien er geen werkgelegenheid voor mijn vader was in Limburg (mijn moeder was Limburgse), maar mijn vader was opgegroeid in hetzelfde dorp.  Ik herinner me zijn verhalen nog zo goed, hoe hij met vrienden leerde duiken in de Wiericke, dat toen natuurlijk nog lang niet zo vervuild was.  Maar in onze tijd zwommen we er zelf ook.  Of we peddelden in een rubberbootje met onze Teckel, die als je hem bóven het water hield al begon te zwemmen.

Ook vertelde mijn vader verhalen over de oorlog.  Je zag zijn blik dan afdwalen, terug in de tijd.  Zijn ogen kregen dan die bittere uitdrukking, die ik nooit zal vergeten, alhoewel hij voor ons altijd de vrolijke vader was.  Ik citeer zijn woorden:  'Ik zag hem staan...  Op een hoekje...  Met zijn allerbeminnelijkste gezicht een meisje kussen...  Tien minuten later zag ik dezelfde vent een jongen doodslaan...  Vlak voor mijn neus...  De plóert!!'  Het was hem zéker niet in zijn koude kleren gaan zitten die oorlog.  Ik heb nooit ervaren dat hij er een trauma van had, maar hij sprak er wel regelmatig over.

De tijd dat hij ondergedoken zat bij boeren door het hele land, omdat ie het verdomde in Duitsland te gaan werken.  Hoe de boer hem wegjaagde als er Duitsers in aantocht waren.  Voor die gelegenheid had hij in het bos verderop een schuilplaats gegraven, waar hij zich verstopte tot de kust weer veilig was.  Maar dat kon soms lang duren, zodat de eenzaamheid hem parten ging spelen en met toestemming van de boer, nam hij diens hondje mee als gezelschap.  Tot zijn eigen grote teleurstelling, moest hij het diertje al weer gauw wegsturen, zodat hij door zijn geblaf, als de Moffen stukken van het bos doorzochten, niet verraden zou worden.

Hoe hij kilometers fietste op een fiets met massieve banden.  Zelfs nog een keer naar huis gegaan om zijn familie te zien, waar hij na 1 nacht door zijn ouders weer werd weggestuurd, uit angst dat ze hem zouden vinden.  Hij hield het ruim 2 jaar vol zo, toen hij uiteindelijk toch opgepakt werd en op transport naar Duitsland werd gezet.  Dát vond ie verschrikkelijk, dat ie moest werken voor de Moffen...

Het gekke was dat je het als kind niet kunt voorstellen, dat je vader dat allemaal had mee moeten maken.  Terwijl hij vertelde, leek het meer of het uit een film was.  Je wílde gewoon niet onder ogen zien, dat je éigen vader ooit als een hond was opgejaagd.  Met als enig doel:  overleven!  En dat dééd hij!!

Als ik dat liedje hoor - was het van Wim Sonneveld? - 'Langs het tuinpad van mijn vader',  dan zie ik ook nog werkelijk voor me hoe het was.  Elke zaterdag de geur van gebakken appeltaart, waarvan we de kom deeg altijd mochten leeg likken.  Hoe heerlijk mijn moeder het vond in de tuin te werken, ondanks haar heimwee bij tijd en wijle, naar haar geliefde Limburg.  De schommel en de rekstok.  Het opblaasbare zwembadje, met daarin weer het kleine rubberbootje, met dáárin weer onze Teckel.  Wat wás het een lief hondje voor ons.  Hij híng aan ons.  En omdat ik altijd bang was in het donker, was ik degene die hem mee naar bed mocht nemen.  Maar oooo...  wat hád ie altijd een hekel aan ons buurjongetje, die het schijnbaar nodig vond met een stok onder onze poortdeur door te rammen.  Dan werd ie wóest!!

Heb je dat nooit?  Dat je van die deja-vu's kunt hebben?  Geuren die affiniteit hebben met je jeugd?  Ik heb het altijd met de geur van Seringen.  Dan sluit ik mijn ogen en ben zó jaren terug in de tijd.  De tijd van onbezorgdheid...  De tijd van onschuld...  De tijd van saamhorigheid...  Een tijd van 'toen was geluk heel gewoon'.  De melkboer die nog aan de deur kwam.  En de bakker die elke dag vers brood bracht.  En ken je hem nog?  De Koopman van Venetië?  Die zijn koffer op de tafel opende?  Helemaal vol met knoopjes, klosjes garen, drukknoopjes, potjes zalf, punaises enz. enz.  Je kon het zo gék niet bedenken.  De kaasboer die aan de deur kwam, waarbij je speldjes kon sparen.  De aardappelboer, waar we ieder een stuiver van kregen.  Ik vraag me nu nog af of de goeie man zélf nog wel wat verdiende.  Plus dat mijn zus het óók nog presteerde die zó verlangde stuiver waar je de hele week op wachtte, door te slikken.  Het snoepwinkeltje op de hoek, waar je voor een dubbeltje een zak vol had.  De kruidenier waar je altijd 1 boodschapje moest doen, maar eigenlijk liever niet deed, om die rare man die daar achter de toonbank stond.

Ik zal ook nooit vergeten dat ik elke zaterdag bij de boer eieren moest gaan halen.  Ik vond het heerlijk om een beetje te kuieren langs die onderdijk.  Ik was dan ook véél langer onderweg dan eigenlijk nodig was.  O ja, dat geeft ook zo'n deja-vu gevoel.  Bóterbloemen!!  Die plukte ik altijd onderweg.  Dus ik nam niet alleen de eieren mee naar huis...  Ik zie het nog voor me hoe ik aanbelde bij de boer.  De vrouw die de deur opent en meteen mijn emmertje uit mijn hand trekt en weer naar achteren verdwijnt.  Mij nieuwsgierig de gang inkijkend achterlaat.  Ze geeft me het emmertje terug, dat ik aanpak terwijl ik haar tegelijkertijd het geld wil geven, waardoor ik de eieren even vergeet.  Ik weet nóg niet hoe ik daar heb staan goochelen, maar het emmertje kwam met een klap op de grond terecht.  Ik weet nog heel goed hoe we samen naar de bodem keken, waar de 10 eierdooiers tussen de gebroken schaaltjes zichtbaar waren.  'Tja, je zal ze zo tóch mee moeten nemen.  Het waren mijn laatsten.' Het zwiepen in de rondte met het emmertje dat ik de hele terugweg altijd deed, werd nu nog een grotere sport.  Maar het lukte alles in het emmertje te houden.  Alleen het gezicht van mijn moeder toen ik thuiskwam...

Nu, 50 jaar later, is dat 'thuis' er niet meer.  Er woont nu een jong stelletje, die de garage hebben omgetoverd naar een kleine brasserie.  De huizen van de buren bestaan niet meer.  Allemaal omgebouwd tot luxere woningen.  'Nu zijn we op de goeie weg...' klinken de woorden van Sonneveld door mijn hoofd.  De vissersboot en de fuiken van de buurman zijn verdwenen.  De buurman is verdwenen.  Die andere buurman is verdwenen.  Van nóg een huis verder en nóg een huis verder...  Hun verblijf is nu aan de andere kant van het gras...

Ik hoor de misthoorn niet meer...  Ik hoor het ronken van de schepen niet meer...  Ik hoor het geluid van de trein in de verte niet meer...  Maar het érgste wat ik mis, zijn de lach en de stemmen van mijn vader en moeder...  Nooit meer...


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.